Stift- & inbussleutel

Bij een stift- of inbussleutel zet je niet de sleutel over een bout of moer heen, maar plaatst de sleutel in de kop van de bout of schroef. In Nederland wordt hiervoor hoofdzakelijk een zeskant- of een zogenaamde Torx-uitsparing gebruikt. De Torx-vorm lijkt wat meer op een stervorm. Deze kop zie je steeds vaker terug in de auto-industrie en bij huishoudelijke apparaten. Inbussleutels variëren in maatvoering van 1,5 tot ca. 17 mm. Bij de Torx spreek je over ca. T5 t/m ca. T50. Vaak zitten er aan deze (haakse-) sleutels een lange en een korte kant. Als de lange kant als haakse greep wordt gebruikt, kan je veel kracht zetten. Gebruik je de korte kant dan kan je sneller draaien en makkelijker bij moeilijk bereikbare plaatsen komen.

Momentsleutels zijn een soort van ratelsleutels waar losse doppen op kunnen worden gezet. De momentsleutel wordt gebruikt waar het strikt noodzakelijk is om een bout of moer met een bepaalde (vaak beperkte) kracht aan te draaien. Niet te los (waardoor deze los gaat/trilt) en niet te vast (waardoor de draad of het object waar deze ingaat wordt beschadigd). De instelling van de kracht wordt aangeduid met newtonmeter (NM). Bereik je het ingestelde “moment”, dan zal de sleutel een harde klik/tik geven. Dit betekent dat je moet stoppen. 
Meestal wordt gebruik gemaakt van ca 40 tot 210 NM (voor o.a. wielmoeren, koppakkingen, enz.). Een belangrijk stuk gereedschap bij het wisselen van wielen/banden. Dit zijn in het algemeen dure sleutels (> € 50,-), afhankelijk van het instelgemak. Duurdere modellen zitten vaak in een goede bewaar box.

Dopsleutels zijn losse doppen die meestal op een haakse (ratel-)greep worden geplaatst. De dop gaat in zijn geheel om de bout/moer waardoor de kracht op 6 plaatsen wordt overgebracht. Met behulp van de ratel (-greep) kan je ook veel kracht zetten. De sleutel hoeft niet steeds van de bout/moer te worden afgehaald (je kan door “ratelen”). Er is weinig ruimte nodig om iets vast of los te draaien. Diverse accessoires uit een doppen/dopsleuteldoos (verlengstuk, kniegewricht, schuifgreep, enz.) zijn hierbij een extra hulpmiddel.

Moersleutels zijn in feite verstelbare steeksleutels met dezelfde voor- en nadelen. Het extra voordeel is dat je met één sleutel “alle” maten aan kan, mits het bereik van de moersleutel dit toelaat. Hoe groter de moersleutel, des te groter het bereik en des te langer het handvat. Bij een langer handvat kan je meer kracht ontwikkelen door de grotere “slag“. Groter is echter niet gelijk altijd beter, want met een grotere moersleutel kom je niet op moeilijk bereikbare plekken. 

De grootte/lengte van een moersleutel wordt in duimen uitgedrukt (6” = ca. 150 mm lang/ 8” = ca. 200 mm lang en 10” = ca. 250 mm lang). Moersleutels zijn verkrijgbaar van 4” tot 18”. Belangrijk is de bek strak aan de bout/moer aan te passen. De kracht wordt ook hier op slechts 2 punten overgebracht, waardoor je minder kracht kan zetten. Hiermee voorkom je dat de bout/moer doldraait.

Een bougiesleutel is een beetje een combinatie van een pijp- en een kniesleutel.
Een pijpsleutel zou met zijn dunne wand op zich goed bruikbaar zijn om een bougie te verwisselen, maar vaak moet je “onder een hoek” de bougie in of uit een motorblok draaien. De dop van een kniesleutel is niet hoog genoeg om over de bougie heen te zetten. De bougiesleutel lijkt op een combinatie van een halve pijpsleutel en een halve kniesleutel. In de sleutel zit vaak een rubberen ring waarmee de bougie in de sleutel wordt vastgeklemd. De meest voorkomende maten zijn 16 en 21 mm.

Kniesleutels worden vooral gebruikt waarbij:
o plekken moeilijk bereikbaar zijn;
o de zeskant minder goed intact is (krachtverdeling over 6 punten);
o meer kracht gezet moet worden (er is een “slag” beschikbaar).
Een kniesleutel heeft aan beide kanten een kniegewricht. Hierdoor kan de (dop-)sleutel aan het uiteinde in veel richtingen worden geplaatst. Bij voldoende ruimte kan de sleutel in een hoek van 90 graden worden gezet, waardoor veel kracht kan worden overgebracht. Net als bij de steek-, ring- en pijpsleutels zitten er meestal 2 verschillende maten aan een kniesleutel.

Meest voorkomende maten van steek-, ring, steek/ring-, pijp- en kniesleutels in de DHZ-branche zijn: 6 t/m 22 mm.

Pijpsleutels worden veelal gebruikt waar de bout of moer:
o wat moeilijk bereikbaar is (deze sleutel heeft dunne rand, daardoor weinig ruimte nodig);
o de zeskant wat minder goed intact is (krachtverdeling over 6 punten);
o er niet al teveel kracht hoeft te worden gezet (geen grote “slag” beschikbaar).
Een pijpsleutel is gemaakt van een ronde buis, waarbij de uiteinden een dusdanige vorm hebben gekregen waardoor deze exact op de bout/moer past. Deze sleutels worden vaak ingezet bij moeilijk bereikbare plekken of bij moeren waar een lange bout uitsteekt. Hier kan je geen dop- of kniesleutel gebruiken. Meestal zit aan één kant de even maat en aan de andere kant de daaropvolgende oneven millimeter maat.

Bij steek/ringsleutels worden de eigenschappen van de steek- en ringsleutel gecombineerd. Aan één kant zit een steeksleutel en aan de andere kant een ringsleutel. Een steek/ringsleutel is maar voor één maat geschikt. Steek/ringsleutels worden meestal gebruikt wanneer de bout of moer (redelijk) makkelijk bereikbaar is. 
Voor de Steek-kant geldt dat: 
• de zeskant en de hoeken ervan nog goed intact zijn (de sleutel past strak);
• er niet al teveel kracht hoeft te worden gezet.
Voor de Ring-kant geldt dat:
• de zeskant wat minder goed intact is (krachtverdeling over 6 punten);
• er redelijk wat kracht moet worden gezet.

Ringsleutels worden meestal gebruikt waar de bout of moer:
o redelijk makkelijk bereikbaar is;
o de zeskant wat minder goed intact is (krachtverdeling over 6 punten);
o er redelijk wat kracht moet worden gezet.
Een ringsleutel moet over de moer/bout heen worden gezet. Door de gesloten ring wordt de kracht op 6 punten op de bout/moer overgebracht. Hierdoor is er minder kans dat de bout/moer wordt beschadigd en/of dolgedraaid. Tevens kan je meer kracht zetten. Dit komt mede doordat een ringsleutel vaak iets langer is dan een steeksleutel. Net als bij de steeksleutels hebben ook de meeste ringsleutels aan één kant de even maat en aan de andere kant de daaropvolgende oneven millimeter maat (bijvoorbeeld 14/15 mm).

Steeksleutels worden ingezet waar de bout of moer:
o makkelijk bereikbaar is;
o de zeskant en de hoeken ervan nog goed intact zijn (de sleutel past strak);
o er niet al teveel kracht hoeft te worden gezet.
De kracht wordt bij een steeksleutel slechts op 2 punten overgebracht op de bout/moer. Is deze verroest en/of moet er veel kracht worden uitgeoefend, dan is de kans groot dat je de bout/moer doldraait. De meeste steeksleutels hebben aan één kant de even maat en aan de andere kant de daaropvolgende oneven millimeter maat (bijvoorbeeld 12/13).